Het werk in de ondergrond

 

Waterschei

 

De mijn van Waterschei in de jaren 1950. Heel wat mijnwerkers kwamen met door de mijn ingelegde bussen, onder meer vanuit Luik en ook uit het zuide van Limburg.
 

Het merendeel van de koolputters woonde in de nabijgelegen cités en kon gemakkelijk te voet of per fiets naar de mijn. De bussen hadden aparte stelplaatsen vlak voor de ingang van hoofdgebouwd van de mijn. 
 

De mijn van Zolder in de jaren 1930. De bussen werden destijds door de ter beschikking gesteld om mijnwerkers, vooral uit de Antwerperse Kempen en Brabant af en aan te brengen.
 

De bussen kwamen driemaal per dag toe en reden evenvel keren terug naar de woongebieden van de koolputters.

 

 

Drie posten
Het dagelijkse leven en de bedrijving in de verschillende Limburgse mijnen leken sterk op elkaar. De afwisseling van drie werkposten op een dag was al bijna zo oud als de mijnontginning zelf. Voor de ochtendploeg was dat van 6 tot 14 uur; voor de middagploeg van 14 tot 22 uur en voor de nachtploeg van 22 uur tot 's anderendaags 6 uur. Het verplichte zaterdagwerk hield stand tot in de jaren zestig. Verschillende mijnen hebben, om de productiepauze tijdens de postwisseling te vermijden, tussen posten ingelast. Gezien de afstand van en naar de schacht kon die pauze oplopen tot twee uren en meer. 
 

Tot jaren na de Tweede Wereldoorlog was van een auto geen sprake, met uitzondering van een directielid of iemand van het hogere kader. Sommige mijnwerkers legden dagelijks tien of meer kilometer te voet af. Dit was slopend als na een zware werkpost diezelfde afstand weer terug moest worden afgelegd. Later legde de mijn bussen in om de mijnwerkers die van ver moesten komen, op te pikken.
 

De tussenposten verliepen dan van 4 tot 12 uur. Tijdens de nachtpost werd geen productie gemaakt, maar werden de installaties onderhouden en alles in gereedheid gebracht om met de ochtendpost weer volop kolen te exploiteren. Maar voor het zover was,moesten de mijnwerkers zich volgens een vast ritueel klaarmaken voor hun werkpost. Velen woonden in de nabijgelegen cité en kwamen te voet met de fiets. 

Kolen waren immers zeer gegeerd en iedere werkkracht was welkom. Bussen reden af en aan tot onder meer Verviers en Luik, gebieden met eveneens een mijnverleden. Na de sluiting van de mijnen in Nederlands-Limburg trokken heel wat bussen de grens over om dagelijks mijnwerkers af en aan te brengen. De arbeiders uit Nederlands en Luik waren vooral tewerkgesteld in de mijnen van Waterschei, Winterslag en Eisden. 

 

De mijnen van Beringen, Zolder en Houthalen kregen van Diest, Leopoldsburg en de Antwerpse Kempen over de vloer. Oudere mijnwerkers zweerden nochtans bij de kurken en lederen helmen omdat die niet zo hoog waren en dus handiger in de pijler. De mijnwerkers kende een hele evolututie. Vooral de kurken en de lederen helmen hebben een hele poos dienst gedaan. Vanaf de jaren 1960 werden almaar meer plastieken exemplaren gebruikt. 

mijnwerkershelm

De mijnwerkers kende een hele evolututie. Vooral de kurken en de lederen helmen hebben een hele poos dienst gedaan.

Vanaf de jaren 1960 werden almaar meer plastieken exemplaren gebruikt. 

Oudere mijnwerkers zweerden nochtans bij de kurken en lederen helmen omdat die niet zo hoog waren en dus handiger in de pijler.  

Een kolenhouwer steekt de steenkolen los met een afbouwhamer.

Opmerkelijk gevallen was het dak glad van structuur.

Ruwe akenbemoeilijkten immers een goede ondersteuning en waren bijgevolg minder veilig. 

kolenhouwer

In de beginjaren moesten de mijnwerkers, als ze op de mijn tot toekwamen hun hoofd door of zich bij hun opzichter melden die hen vervolgens als aanwezig noteerde.

Later kreeg iedereen een kaart met daarop zijn gegevens, die hij bij de aankomst moest afgeven of in de voor hem bestemde gleuf steken. 

Zo kon de opzichter bij het ophalen van de kaarten uitmaken wie al dan niet aanwezig was. Tijdens de laatste jaren van de Limburgse mijnen werkte iedere mijn met een elektronische badge met foto. Dat maakt het ook voor de gardes gemakkelijk om te controleren wie al dan niet op de mijn moest zijn. 

De eerste decennia zorgde de mijnwerkers zelf voor hun werkkledij en lieten die ook thuis wassen. Een lamp en een helm kregen ze wél van de mijn. Aanvankelijk waren dit kurken en iedereen helmen en vanaf de jaren 1970 kunstof exemplaren, die volgens de oudere mijnwerkers nooit hebben kunnen tippen aan hun lederen voorgangers.  

Pas de laatste decennia stelde de mijndirectie ook kledij ter beschikking die na een werkweek in een door de mijn aangestelde wasserij werd schoongewassen. De mijn van Zwartberg maakte jarenlang gebruikt van kettingkapstokken en gemeenschappelijk baden.  

Aan die ketting hingen haken waaraan je op het einde van de werkpost je werkkledij moest hangen. Door aan de ketting te trekken trok je een tiental meter de lucht in. Sluiten deed je met een slot in één van de ogen van de ketting. Hetzelfde gebeurde tijdens het begin van de post, maar dan met de vrije tijdskledij. 

In de overige Limburgse mijnen werden persoonlijke kastjes ingevoerd, steeds met twee compartimenten: eentje voor de vuile kleren en eentje voor de vrij tijdskledij. Nog eens een laatste blik op de grote klok, de drinkbus vullen met water en misschien nog een beetje tijd overhouden voor een sigaretje. Dan ging het richting lampenzaal, de batterij aan de riem en de lamp op de helm. 

Het CO-masker - dat einde jaren vijftig werd ingevoerd na de ramp in Marinelle - bengelde in het voorziene houwertje aan de broekriem en dan naar de 'varkenzaal'. Die werd zo genoemd omdat de ijzeren hekken , die leidden naar het opdrachtentafeltje van de opzichter, op die van een varkensslachterij leken. 

Aan dat tafeltje kregen de mijnwerkers hun werkopdracht voor die dag en melden welk gereedschap ze moesten meenemen. Daarvoor kregen ze een bonnetje van de opzichter waarmee ze zich konden aanbieden aan de loketten van het naburige magazijn. En dan ging het richting schachtbokken.

Verluchting
Eén van de voornaamste reden waarom de mijnen niet één, maar twee schachten telden, was de verluchting: eentje voor de intrekkende lucht en eentje met de hoofdventilator voor de kerende lucht. Die zoog als het ware de lucht uit de ondergrondse werken en blies ze de wijde wereld in.  

In de ondergrond passeerde de luchtstroom door alle gangen en werkplaatsen. Zo bleef het mogelijk te ademen en ook te werken in de ondergrond. Om te voorkomen dat de lucht de korsten weg tussen de schachten nam, waren er bij de schachten stevige metalen deuren, luchtsluizen geplaatst.  

Er waren wel enkele kleine ze mijnen, onder meer in Engeland, die het konden stellen zonder zware ventilatoren en met een natuurlijke luchtcirculatie. Maar daarvoor was het netwerk van de mijnen in Belgisch-Limburg te groot. Op heel wat plaatsen waren ook de hoofdventilatoren niet voldoende krachtig en moesten in veraf gelegen werkplaatsen hulpventilatoren worden geïnstalleerd. De systemen voor het verticale personeel-, kolen- en materiaaltransport waren voor alle Limburgse mijnen nagenoeg identiek. 

Veelal werd in de in de plaatste decennia één van de twee schachten gebruikt als laadbak of skip waarin vijftien ton steenkool geladen kon worden. Dat betekend dat de kolenwagentjes onder konden blijven. Eens de skip boven, werd de inhoud automatisch leeg gekieperd op een band die rechtstreeks in verbinding stond met de kolenwasserij.  

Dit systeem was niet altijd tijds- maar vooral ook energiebesparend. Zolder was de eerste mijn het systeem in 1957 in gebruik nam. Winterslag volgde in 1957 in gebruik nam. Winterslag volgende in 1963 Comfortabel kon je het personeelsvervoer via de schacht niet noemen. Vier van de vijf op elkaar gemonteerde verdiepingen, kasten of kooien geheten, waarin tijdens de productie-uren wagentjes met steenkool of materiaal werden geramd en vervoer, deden tijdens de wissel van de post dienst als lift voor het personeel. In ieder vakje werden zestien tot twintig mijnwerkers als sardienen in een blik op elkaar geduwd. 

Op de bovengrond stapte de mijnwerkers in die aan slag gingen, en gelijktijdig gebeurde dat in de ondergrond met de mensen die de werkpost achter de rug hadden. De mijnwerkers werden op hetzelfde ogenblik en met dezelfde beweging zowel naar boven getrokken als naar onder gelaten. Beide kasten waren aan elkaar verbonden. 

Aan de onderkant was er een gelijkaardige verbinding maar dan met een platte kabel, vooral met de bedoeling een zo goed mogelijk evenwichtverdeling te creëren. Het was de ronde kabel die over de schachtwiel 64 mensen naar onder gelaten en evenveel naar het daglicht getrokken met een snelheid van veertien meter per seconde.  

Meermaals gebeurde het dat de lift om de één of andere reden haperde of om veiligheidsreden niet vrijgegeven mocht worden. Het resulteerde in geschreeuw, gevloek en getier ven de opeengepakte arbeiders. Omdat de signaal gever het dichtst in de buurt stond, moest hij het steevast ontgelden. Ook al verliep de trip naar de ondergrond vrij snel, toch wisten sommige grapjassen tot hun eigen jolijt net dan hun darmgassen de vrijheid te gunnen. 

Zodra de kleine deurtjes van de liftkooien open mochten en de mijnwerkers in de ondergrond de benauwde kasten konden verlate, drong een zacht penetrerende geur van staal kolenstof en vocht door. Schuifelt langs de kleine kolenwagen op weg naar de bijna kleine personeelswagens schuurde de zachte wind, die uit de ondergrond werd weggezogen, langs de oren voor tranende ogen.  

De hoofdsteengangen hadden iets ilposants. De betonblokken in trapeziumvorm die samen in cirkel de binnenrand van de gang vormden schenen onkwetsbaar. Al jaren doorstonden ze enorme druk van het gesteente en deden ze dienst als kilometerlange betonnen aders waarlangs de steenkool een horizontale weg naar de verticale liftschacht vond. 

Van de tropen naar de vrieskoudOp en afdaling

Toch was, vooral tijdens de winterdagen, de luchtkerende schacht het meest geliefd bij de mijnwerkers die aan hun werkpost moesten beginnen. 

Tijdens het dalen werd de vrieskou plotsklaps omgezet in een temperatuur van rond de dertig graden. 

Aangenaam, maar niet de gezondste weg vermits de mijnwerkers de aardig worden ingetrokken naar het meest vervuilde deel van het luchtciruit.

Erg vervelend was dat met het einde van de werkpost de omgekeerde weg afgelegd moest worden. Dikwijls net en bezweet, komende van tropische temperatuur, plots terug de vrieskou in.

Je zou van minder ziek worden. Vermits beide schachten op een andere verdieping uitmondden, was het organisatorisch niet altijd even gemakkelijk om een welbepaalde schacht enkel vrij te maken voor personeeltransport.

De personeelswagentjes uit de Limburgse mijnen mochten dan in uitvoering verschillen, één ding hadden ze gemeen: gebrek aan plaats. personeelstrein

Op twee plankjes en in een kleine vierkante meter moesten vier mijnwerkers samenhokken, bepakt met gereedschap, eten, zuurstofmasker, batterij, lamp, een grote ijzeren rinkenkbus en soms ook nog met grote zakken springstof.  

De trip duurde, afhankelijk van afstand, 15 minuten tot 45 minuten. Omdat tijdens de productie geen pauze kon genomen worden, maakten heel wat mijnwerkers van de gelegenheden gebruik om in het trein hun boterham op te eten of nog snel een tukje te doen. 

Verbazingwekkend omdat het harde schelle geschuurd van metaal op metaal voor een hels lawaai zorgde. Maar dan eens wilde zo'n personeelstreintje bovendien ontsporen. Inzittende werden dan tussen de wanden heen en weer geslagen. 

En niet zelden kantelde een wagon om schurend over sporen en stenen te ratelen. Tot de machinist boven het lawaai van zijn eigen locomotief het gekrijst en geschreeuw hoorde en besloot even te stoppen.  

Om de wagen terug op zijn wielen te krijgen, zakten enkele sterke passagiers even door de knieën, riepen gelijktijdig 'één, drie, hup' en daar stond het ding weer recht.  

Net zoals dat bij de sporenwegen het geval is, waren in de ondergrond tijdelijke haltes, afhankelijk van het netwerk waarin de kolen werden ontgonnen. In Zolder bijvoorbeeld werd vanuit een stervorm gewerkt.  

Dat wil zeggen dat de steengangen die leiden naar de schacht en almaar meer van elkaar werden weggeleid.

De ruimte in de ondergrond was erg beperkt, ook in de personeelstreintjes. Afhankelijk van de afstand konden de treinritten tot 45 minuten duren.  

In Waterschei werd geopteerd voor de zogenoemde visgraatexploitatie: een lange hoofdsteengang met vertakkingen naar het noorden en naar het zuiden. Aansluiting op die hoofdsteengang kregen dan ook benamingen zoals bijvoorbeeld ' Vijfde Zuid', 'Zesde Noorden', duidend op de vijfde steengang aan het zuiden of de zesde aan het noorden van het hoofdsteengang. Het delven van steengangen en galerijen was in heel wat gevallen een huzarenstukje door hat gebruik van springstof.   

Toch zijn vanaf de jaren zeventig de eerste machinines gebruikt. Zo was er de Duitse Paurat die ook wel de puntinbraakmachine werd genoemd. De machine had een roterende snijkop op een bewegende arm. In het onderstel was een transportinstallatie geïntegreerd zodat de losgesneden sten daarop terechtkwamen en konden worden afgevoerd. In de mijn van Zolder is er in 1984 een Franse tunnelboormachine (Bouygues) in dienst genomen. Die bleek noodzakelijk voor het delven van een nieuwe productieverdieping. Het ging om de meest geautomatiseerde machine die ooit de Limburg ondergrond gebruikt is.  

Met een enorm snijkoppensysteem werd de wand verbrijzend en maandelijkse een afstand van 180 meter automatisch afgevoerd en ook de wandpanelen werden zo goed als automatisch geplaatst. Met staal gewapende wandpanelen hebben pas begin jaren 1970 hun intrede gemaakt in Limburg.  

Met deze Tsjechische uitvindingen kon een vooruitgang geboekt worden van vier meter per dag, terwijl met de klassieke betonblokken dit maar een kleine twee meter per dag, terwijl met de klassieke betonblokken dit maar een klein twee meter per dag was. Toch waren die blokken, die samen een cilindrisch geheel vormen aan de enorme druk van het gesteende te weerstaan.

De afstand tussen schacht en werkplaats was soms zo groot dat extra vervoermiddelen moesten worden ingezetzoals deze monorail voor personeel.monorial

Een goedkoper hulpmiddel was een handlier waaraan de koolputters zich konden vasthouden als ze de steile galerij werden opgetrokken.

'Hier staat de wereld op pootjes?' Deze woorden kwamen uit de mond van en mijnwerker voor één dag, starend naar de ingang van een pijler en de ondersteuningselementen of pootjes. 

Ondanks de financiële verleiding om in de ondergrond aan de slag te gaan, was de man onmiddellijk vastbesloten om uit de buik van de aarde te geraken en er nooit meer te keren. 

Gewerkt heeft hij er nooit. Gewerkt heeft hij er nooit. Zij claustrofobie was even groot als zijn vermogen om de ondergrond een beelden te omschrijven. 

Het deed de andere ondergronders een beetje nadenken over de bijna duizend meter steenmassa die boven hun hoofden hing en waarin ze dag in-dag uit de natuur steeds weer een beetje meer uitdaagden. 

De pootjes waren er om te voorkomen dat de koolputters die steenmassa op hun donder zoude krijgen. En steeds weer moesten ze die pootjes opschuiven naar de plaats waar even daarvoor het product van miljoenen jaren natuurkrachten voor het rapen lag: steenkool.

En dat gaf de natuur niet zomaar prijs. Alsof het revanche was, werden pijlers ineens gedrukte en galerijen herleid tot openingen waar zelfs geoefende mollen hun neus zouden ophalen. Gassen en grote hoeveelheden water maakte het de indringers moeilijk.

Maar ze vochten terug, de kompels . Met dynamiet, met zware machine en als het moest met de blote hand om toch maar dat zwarte goud, tot 's lands meerdere eer en glorie uit de ondergrond te halen. 

Juiste opening schieten

steenhouwer

Daarin werden behalve dynamiet ook zouten en carbonaten toegevoegd. De zouten dienden om de temperatuur te verlagen en de carbonaten zorg ervoor dat er CO2 vrijkwam. Vanaf het moment dat er 25 procent CO2 in een mengsel van lucht en mijngas was, kon dit laatste niet meer ontsteken. In de steengangen , waar aangeboord, kwam mijngas eerder zelden voor. Daar werd sneller gebruikt gemaakt van bijna louter dynamiet met als basis nitroglycerine. In de galerijen die de kolenlagen doorsneden, lag het methaangehalte aanzienlijk hoger en werden afhankelijk van de hoeveelheid mijngas type I, type II of type III veiligheidsspringstoffen gebruikt. Zo werden type III springstoffen gebruikt op plaatsen met een hoger risico op mijngas en type I springstoffen op plaatsen zonder mijngas. 

Hoe sterk of zwak de springstof ook mocht zijn, de kunst om een juiste opening te schieten hing grotendeels af van de bekwaamheid van de frontman die de gaten moest boren en de toeziende opzichter of schietmeester. Slecht geboorde gaten leverde een navenant resultaat op en veel meer werk om plaats te maken voor de galerijondersteuners. 

Een houwer moest dan ook weten waar zijn boor twee meter verder in het gesteente kon uitkomen. Het gesteente kon helemaal en op de juiste manier gedynamiseerd worden indien de gaten goed geboord waren. Een boorgat loodrecht op het front kon ertoe leiden dat de patronen ter plaatse zouden uitbranden.  

Als het boorgat ook nog eens slecht was opgevuld, zou dit als kanon kunnen werken en de springstof naar buiten blazen zonder dat het gesteente verpulverde. Om dat te vermijden werd gebruik gemaakt van zogenoemde inbraakmethodes.

De meest gebruikte was de conische inbraak. Daarbij werden in het centrum van het front vier gaten van elk twee meter diep naar elkaar toe geboord zodat ze in de diepte de vorm van een afgeknotte kegel hadden. Rond die gaten en wat meer uit het midden van het front werden nieuwe gaten geboord, even diep maar iets minder naar elkaar toe neigend.  

En dat ging zo verder tot de uiterste boog van gaten geboord werd. De opzet was dat de springstoffen in de meest centraal gelegen boorgaten eerst zouden exploderen. Als een champagnekruk vloog de kern van het front naar buiten. 

steenfront

Een fractie van een seconde later volgde de explosie in de daaropvolgende ring aan boorgaten en dat ging zo verder tot alle stenen uit het front waren.

Voor het delven van een de galerijen is in de meeste gevallen tot het einde van de productie in iedere Limburgse mijn springstof gebruikt. En dat was in een omgeving waar regelmatig mijngas of methaangas. Daarom werden de zogenoemde veiligheidsspringstoffen ontwikkeld? 

Daarin werden behalve dynamiet ook zouten en carbonaten toegevoegd. De zouten dienden om de temperatuur te verlagen en de carbonaten zorg ervoor dat er CO2 vrijkwam. Vanaf het moment dat er 25 procent CO2 in een mengsel van lucht en mijngas was, kon dit laatste niet meer ontsteken. In de steengangen , waar aangeboord, kwam mijngas eerder zelden voor. 

Daar werd sneller gebruikt gemaakt van bijna louter dynamiet met als basis nitroglycerine. In de galerijen die de kolenlagen doorsneden, lag het methaangehalte aanzienlijk hoger en werden afhankelijk van de hoeveelheid mijngas type I, type II of type III veiligheidsspringstoffen gebruikt. Zo werden type III springstoffen gebruikt op plaatsen met een hoger risico op mijngas en type I springstoffen op plaatsen zonder mijngas. 

Hoe sterk of zwak de springstof ook mocht zijn, de kunst om een juiste opening te schieten hing grotendeels af van de bekwaamheid van de frontman die de gaten moest boren en de toeziende opzichter of schietmeester. Slecht geboorde gaten leverde een navenant resultaat op en veel meer werk om plaats te maken voor de galerijondersteuners.  

Een houwer moest dan ook weten waar zijn boor twee meter verder in het gesteente kon uitkomen. Het gesteente kon helemaal en op de juiste manier gedynamiseerd worden indien de gaten goed geboord waren. Een boorgat loodrecht op het front kon ertoe leiden dat de patronen ter plaatse zouden uitbranden. 

explosieAls het boorgat ook nog eens slecht was opgevuld, zou dit als kanon kunnen werken en de springstof naar buiten blazen zonder dat het gesteente verpulverde. Om dat te vermijden werd gebruik gemaakt van zogenoemde inbraakmethodes.  

De meest gebruikte was de conische inbraak. Daarbij werden in het centrum van het front vier gaten van elk twee meter diep naar elkaar toe geboord zodat ze in de diepte de vorm van een afgeknotte kegel hadden. Rond die gaten en wat meer uit het midden van het front werden nieuwe gaten geboord, even diep maar iets minder naar elkaar toe neigend.  

En dat ging zo verder tot de uiterste boog van gaten geboord werd. De opzet was dat de springstoffen in de meest centraal gelegen boorgaten eerst zouden exploderen. Als een champagnekruk vloog de kern van het front naar buiten.

Schraperbak
Van tijdsverschillen was tijdens de explosie niets te horen. Een korte en harde doffe knal en enkele seconden daarna een dichte stofwolk waardoor geen lamp kon schijnen. Het gruis tinkelde op de helmen van de schuilende mijnwerkers en af en toe viel er eens een dikkere steen tussen kaders pal in iemands nek. De tijdsverschillen in de explosies werden veroorzaakt door de samenstelling van de ontstekers waarin al dan niet zo'n vertragingspoeder was verwerkt. Zo'n ontsteker was nodig om een schok teweeg te brengen die de patronen deed exploderen. Maar vooraleer het zover was, moest de schietmeester de lange plastic zakken met elk tien springstofstaven met de juiste ontstekers in de juiste gaten steken.

Met een koperen priem werd een gat gestoken in de laatste springstofstaaf die in de boorgat verdween. Daarin werd dan de ontsteker geduwd. Aan iedere ontsteker hingen twee draadjes die uit het boorgat bengelden. Het hele netwerk aan draadjes werd met elkaar verbonden zodat nog maar twee aansluitingen over bleven. Die werden aangesloten op een elektrisch afvuurtoestel dat uitgerust was met een opwindbare dynamo. De schietmeester gaf aan twee mijnwerkers de opdracht om iedereen de toegang te ontzeggen tot het front werd afgeschoten. Eentje vatte post in de pijler terwijl de andere zich wat verder op in de galerij verstopte, wachtend op de knal. Pas als het ergste stof was weggetrokken, keerde eerst de schietmeester terug naar zijn front om na te gaan of alle ontstekers en springstoffen hun werk naar behoren hadden gedaan. De kapot geschoten stenen lagen op een hoop tegen het nieuwe front aan. Om die stenen te verwijderen werden verschillende technieken gebruikt. 

De meest gebruikte is de hou de schrage ofwel schraper genoemd. Een grote ijzeren bak die vergelijkbaar is met die van een grijper, moest de stenen als het ware wegschrapen.

Frontwerker

 

In het kersverse front werd een gat geboord en een stevige luskabel verwerkt. Daaraan werd een keerrol gehangen waarin de kabel kon bewegen die de ijzeren bak was verbonden.

De schraper kon heen en weer getrokken worden over die berg stenen. Bij het terugkeren naar het uiteinde van de pijler zette de schraperbak zijn tanden in de berg stenen en trok ze zo beetje bij beetje de transportinstallatie op.

Maar er waren ook andere methodes, aanvankelijk alleen de schop en in de laatste decennia grijpertjes, een soort minibulldozertjes.  

 

In de laatste decennia werd almaar meer gebruikt van tunnelboormachines, zoals deze hier in de mijn van Zolder. Onder de boorinstallatie lag een panzer.

Voorzichtig met vuurwerk
Om een vooruitgang van ongeveer twee meter te boeken werden voor een gewone galerij ongeveer driehonderd patronen springstof gebruikt. Voor steengangen liep dat aantal op tot vijf- à zeshonderdexemplaren.schietmeester

Niet zonder reden werden de springstoffen in een beveiligde bunker opgeslagen en strenge veiligs-voorschriften uitgeschreven voor vervoer en gebruik. De schietmeester moest aan de bunker noteren hoeveel patronen en welke soort hij ontvangst nam En datzelfde gold ook voor de ontstekers. Vermits driehonderd patronen wat veel dragen was voor één man, mocht de schiet-meester draagmanoeuvers aanstellen. Meestel waren dat mensen die aan het front werkten. De patronen kregen een plaatsje in en grote leren tas, een beetje te vergelijken met van de postbode, maar dan van dikker en veel robuuster werken, kregen soms ook een grote lederen zak op de rug. Het leverde hen immers een habbekrats meer op.

Puffen in de hitte
De productiepijler waar de steenkool ontgonnen werd, is een verbinding tussen twee galerijen. Er zijn dus ook twee mogelijke toegangswegen om ter plaatse of weer te geraken. Via de onderste galerij - in sommige mijnen de voet- of eerste galerij genoemd - werd de lucht naar binnen geblazen, soms met extra ventilatoren en koelinstallaties. Geen overbodige luxe met de hoge en vochtige tempertauren die in de productiewerk- plaatsen heersten.

In de limburgse ondergrond steeg de temperatuur met 4° C per honderd meter. Rekening houden met de exploitatie-dieptes in Limburg benaderde de warmte die het gesteente uitstraalde, zowat vijftig graden Celsius. Eén van de zwaarste en gevaarlijkste werken in de ondergrond waren de voortagewerken, het inrichten van een nieuwe ontginningspijler. Niet in het minst bij het delven van de galerijen, maar vooral ook bij het maken van de verbinding via de kolenlaag tussen de twee galerijen.

mijnwerkers

Er was maar één vluchweg en dat was dezelfde waarlangs de montage-mijnwerkers naar hun werkplaats gingen.

Bij een zware instorting zaten de mannen als ratten in een val zoals Toontjes Vanhees uit Zonhoven in 1955 meemakte. 'Er klonk een luid gekraak, gevolgd door en doffe slag.

Het hele zaakje begon in de storten en het bleef maar storten. De resten ons nog maar een paar kubieke meter ruimte waarin het snikheet was. Later bleek dat 32 meter puin tussen ons en de uitgang lag. Dertien uren later hebben ze ons kunnen bevrijden.' Het dagloon van montagewerkers was niet voor niets één van de hoogste. 

In de mijn van Beringen in 1960 nemen enkele mijnwerkers van de terugwinning een lunchpauze. Het was niet altijd gebruikelijk dat ze tijdens hun werkpost aten. Vooral in de productieafdeling werd de eetpauze meestal overgeslagen. Veel prtest was daar niet tegenomdat kolenhouwers en steenhouwers aan stukloon werden vooruitgang, des te meer het loon. De boter-hammetjes werden dan maar voor of na de werkpost opgegeten. 
Haringstempel 
Na de houten exemplaren volgende een hele generatie ijzeren ondersteuningen, in Belgisch-Limburg veelal bekend als de haringstempels. De haringstempel bestond uit twe delen die in en uit geschoven konden worden. Het onderste gedeelte was uitgerust met een reeks kleine verticale openingen. Daarna kon een los ijzeren kal (de haring) gestoken worden indien beiden delen maximaal waren uitgeschoven tussen vloer en dak. Door de afgeschuinde haring aan te kloppen raakten beide delen gespannen. Pas dan kon een tweede ijzeren kal, die behoorde tot het onderste gestel, worden aangeklopt en kreeg de ijzeren ondersteuning een eigen klemming tussen dak en vloer.
 
Stempel Harry.
De laatste decennia werden dergelijk pijlerondersteuningen alleen nog gebruikt voor het maken van montageopeningen in een steenkolenlaag. Een laatste generatie van pijlerondersteuners die zowel in productie als in montage werden gebruikt, waren hydraulisch bedienbaar. Het waren daarvan zwaarder dan houten ondersteuning en de haringstempels, maar dan weer iets wendbaarder en sneller geplaatst.
 
Zowel de haring- als de hydraulische ondersteuners gingen niet meteen rechtstreeks het dak in. Tussen het dak en de ondersteuning hebben de in de mijnbouw befaamde Vanwerschkappen generaties lang hun dienst bewezen. Efficiënt als ondersteuning, maar zwaar voor degenen die ze moesten plaatsen. Vooral in de kleine kolenlagen was het niet zo simpel om die tientallen kilo's zware stukken metaal boven het hoofd te heffen. En dat meer dan honderd maal tijdens een werkpost.
 
De kolen werden in de meeste gevallen weggenomen met een afbouwhamer. Ook die zijn in de loop der jaren lichter en krachter geworden. Niettemin was het in de bekeklemmende kleine werkruimte blijzonder zwaar op een goede vooruitgang te boeken. Het was pas dan dat de montagemijnwerkers hun extraatje op hun loonbriefje kregen. De kolen waren losgewrikt, werden in de meeste gevallen op een hoop geschept. Een door een lier bediend ijzeren 'boot' met een schep vanonder werd bovenop die hoop getrokken. 
 
mijnwerkerspakBij het omkeren van de richting vulde de zichzelf met kolen en sleepte die uit de pijler. Als eenmaal een nieuwe pijler doorheen de kolen gereed was, zat het kolenmotagewerk er op. Dan was het de beurt aan de andere werkgroep die de pijler klaar maakte voor productie, dat wil zeggen het installeren van de wandelende ondersteuning, de panzer, de kolenschaaf, de leidingen enzovoort.
 
Een pijler was even hoog als de dikte van de de kolenlaag. In de Limburgse mijnen varieerden de dikte tussenzestig centimeter en twee meter. Afhankelijk van de exploitatiemogekijkheden en de kwaliteit van de kolen zelf werd dan niet beslist omde dunnen kolenlagen te ontginnen.
 
In de meeste gevallen was de pijler zo'n vier meter breed en enkele hondererden meters lang.
Afbouwmachines zoals de schaaf- en de trommelssnijmachine bestonden in de aanvangsjaren niet. In die periode werkte zo'n twintig tot dertig ouviers over de volledige lengte van de pijler de kolen los met afbouwhamer. Evenveel hulpjes, manoeuvres zoals ze genoemd werden, schepten de losgewerkte kolen op de transportinstallatie. Naarmate de kolen uit de laag verdwenen, schoof de trasportinstallatie dichter naar de kolenlaag. En dat betekende dat de stempels en de dakkappen verplaats moesten worden waar zich even voordien nog steenkool bevond. In de aanvangsjaren van de productie werd voor de ondersteuning hout gebruikt.
 
Later volgden de ijzeren, met de hand verstelbare ondersteuners, dan de enkelvoudige hydraulische ondersteuners en tenslotte de hydraulische elementen die met een horizontale duwcilinder de transportinstallatie weer tot tegen de kolenlaag duwden. Hoe dan ook werd met een vooruitgang van twee tot vier meter per gag heel natuurlijke ondersteuning weggehaald. Nog tot het einde van de ontginning in Limburg werd een extra post - meestal de nachtpost - ingezet om de ontkoolde achterkant (de stap) van de pijler in orde te brengen. De achterste stutten moesten worden weggenomen en vooraan klaargelegd vooralleer andere pijlerhouwers weer de productie verderzetten.
 
Bij het weghalen van die ondersteuning stortte telk een stuk dak in zodat de achterkant van de pijler steevast opgevuld werd met een gigantische hoeveelheid gebroken steen, de zogeheden breukbouw. In mijnen zoals die van Beringen werd ook aan vulbouw gedaan, vooral om verzakkingen aan de oppervlakte te voorkomen. Afval uit de kolenwasserij en klevende producten werden de stap ingeblazen zodat het dak toch nog ondersteund kon worden. Ook andere mijnen deden soms aan vulbouw of lieten het terein onontgonnen als het exploiteren zone, zoals bijvoorbeeld een kanaal, bevond.
 
Meten van mijngas gtm_electronische_toestel
Het juiste meten van de hoeveelheid mijngas met een mijnlamp was een kunst op zich. De lamp moest immers goed afgesteld zijn en je moest een geoefend oog hebben om de methaanverbranding in de lamp te kunnen detecteren. Degene die het gas moest controleren deed meestal het licht van zijn eigen lamp uit om zoveel mogelijk te kunnen waarnemen.
 
Bij een vlammetje met kleine gele pit van emper en halve centimeter was er geen mijngas. Bij één procent mijngas ontstond een lichte blauwe opflakking rond die pit. Bij een percentage tussen twee en vier procent kon dat blauwe vlammetje al lot anderhalve centimeter stijgen. Bij een percentage van vijf procent danste de blauwe schijn tegen de kleine bovenwand van de mijnlamp aan. Nog een procent meer en de lamp doofd met een lichte plof vanzelf. Tussen zes en zestien procent methaan in de licht ontstond immers zeer explosief mengsel. Het vlammetje in de mijnlamp kon niet overslaan naar de omgeving omwille van een beschermende gaas in de lamp. Meer dan zestien procent methaan werkte verstikkend en minder dan zes procent was brandbaar.
 
links boven: De gtm, het electronische toestel waarmee methaan of mijngas gemeten kon worden. Alhoewel het vrij nauwkeurig resultaten aan gaf, verkozen heel vrij nauwkeurige resultaten aangaf, verkozen heel wat opzichters en schietmeesters de mijnlamp omdat daarmee met zekerheid gas gedetecteerd kon worden. 
 
BLINDENSCHACHT
In een blindenschacht werd de liftkooi (in het midden vanonder) door een lier opgehesen. Het contragewicht zorgde dat dit kon zonder een al te groot vermogen. Blindenschachten dienden als verticale verbinding tussen verdiepingen en konden soms meer dan hinder meter overbruggen.

In de meeste gevallen lagen de te ontginnen kolenlagen in een hellend vlak. Dat betekende dat er ook behoorlijke verschillende in diepte waren tussen de voet- en de kopgalerij die op dezelfde pijler waren aangesloten. Om dit verschil te overbruggen en om verbindingen te maken tussen twee steengangenverdiepingen, werden binnen- of blindschachten aangelegd. Een blindschacht was een verticale verbinding tussen twee verdiepingen.

De uitrusting tussen van een binnenschacht varieerde in functie van de eisen. Werd de schacht gebruikt als luchtverbinding? Als vervoer voor materiaal en kolen? Om personeel te vervoeren? Of in combinatie van de drie? Bij volwaardige blindschachten waren drie grote compartimenten te onderscheiden. Zo was er de vaarschacht (de plaats voor de liftkooi aan de lier), de plaats van de wentelgoot waarin kolen een stenen naar beneden werden gestort en het laddergedeelte. In dat laatste compartiment lagen ook buizen en kabels en ging in en afgeschermd gedeelte het tegengewicht van de liftschacht op en neer. In de meeste gevallen werden de ladders met de delving van onder naar boven mee ingericht. De ladders waren immers noodzakelijk om ter plaatse te geraken en wentelgoten om de afgeschoten stenen in hun val naar benden te begeleiden.

Om te kunnen delven en te zorgen voor een goede afvoer van de stukgeschoten stenen werd een zogenoemde steenkast gecreërd. Op de binnenwand van het al ondersteunde gedeelte van de schacht kwam een stevige houten vloer, meteen ook de eerste halte voor de losgewerkte stenen. Vooraleer de schietmeester afvuurde, werden de ladderafdeling en de transportkoker afgedekt met een schuine vloer van 'schietbelen' zodat de stenen automatisch naar de steenkast zouden rollen. Voor het schieten was er tussen het dakgesteende en de steenkast een ruimte van anderhalve tot twee meter.

Juist genoeg plaats voor de nieuwe lading kapot geschoten stenen. Vooraleer iets ondernomen kon worden, moest eerst een aantal wagens stenen uit de tegenkans getrokken worden. Dat aantal was erg belangrijk omdat op die manier de houwers konden zien of de steenmassa wel weg was. Het risico bestond immers dat kleinhoudende stenen zouden samenklitten in de steenkast en dat daaronder, door de stenen die wel vielen, een lege ruimte gecreëerd werd. Als die holte het begaf terwijl mensen aan het werk waren op de steenkast, konden ze mee naar beneden gezorgen worden. 

GRILLEN VAN HET DAK
In mijnen waren niet aan stapvulling werd gedaan,weigerde het dak soms om toe te geven en bleef als één grote zwevende dreiging op de ondersteuning drukken. En dat veroorzaakte zenuwachtigheid bij de mijnwerkers. Je wist immers nooit wanneer het natuurgeweld zou toestaan, alleen dat het een enorme klap zou zijn en een stevige luchtverplaatsing zou veroorzaken. In sommige gevallen waren de druk en de slag moest geloven. Om die lange hellende daken te vermijden werden soms gaten geboord en gevuld met dynamiet. De explosie moest het dak dwingen te kraken en de druk op de pijler verminderen. 'We waren er al weken niet gerust in omdat het dak maar niet naar beneden wilde komen,' getuigt mijnwerker Jan Grauwels' Er werden gaten in geboord en explosieve aangebracht, maar niets help. En plots voel ik samen met mijn compagnon Mon dat alles in beweging komt. Tijd om te gaan lopen hadden wij niet meer. We hebben ons dan maar zo dicht als mogelijk tegen de panzer aangedrukt, zijn in elkaar gekrompen, hebben heel hard in elkaar handen geknepen en onze ogen toegeknepen. Een onbeschrijfelijk geluid kwam er uit die bewegingen steenmassa, tot plots alles gelijktijdig naar beneden donderde en een ware aardbeving veroorzaakte. Zoiets angstaanjagend hadden we nog nooit meegemaakt.' 

'Ketting van de schaaf was moordend' Willy Verstraeten

'Een zwaargewonde kolenzwarte man lag op een brancard te kermen toen ik mijn in 1955 kwam aanbieden om in de mijn van Houthalen te werken. later bleek het mijn broer te zijn.

Ik had hem niet eens herkend.' Willy Verstraeten (67) was zestien toen hij in het sporen van zijn vader in de ondergrond aan de slag ging. Als manoeuvre (hulpje) en later als kolenhouwer werkte hij in de mijn van Houthalen, Luik, Zolder en Waterschei. 

Happend naar adem grabbelt Willy en zuurstofpompje uit zijn zakken als we na honderd meter wandelen aan de voet van het mijngebouw in Waterschei. De laatste mijn waar Willy in 1987 kolen maakte. 'Ik was nog geen zestien jaar toen ik mijn voor het eerst ben gaan aanbieden in de mijn van Houthalen. Tevergeefs, ik mocht pas beginnen als ik zestin was. Maar op mijn zestiende verjaardag - wij woonden toen nog in Hasselt - stond ik terug het aanwervingloket en zag ik - zo bleek later- mijn broer op een brancard liggen. Hij was blijkbaar verpletterd geraakt door een grote vallende steen. Ik dank dat ik doen al de beste les heb gekregen in veiligheid, want ik heb altijd heel goed opgelet en ben er, zoals je ziet, heelhuids uitgeraakt.' De ramp in Marinelle in 1956, waar ruim 250 doden vielen, was ook aan Willy niet voorbijgegaan. 'Omdat ik nog geen achttien jaar was, moest ik plots een papier tekenen dat ik in de ondergrond werkte in het kader van mijnscholing. Aan het werk zelf deed dat niets af. Ik was manoeuvre aan het kolenfront en kreeg, omdat ik een van Hasselt afkomstig was, de bijnaam Hasselaar. Dat was hard werken. Kolen scheppen tot je der bij neerviel. Maar ik had al snel goede reputatie opgebouwd zodat de kolenhouwers mij als hulp wilden. Toen ik 21 jaar was, werd ik gepromoveerd tot kolenhouwer. Dat betekende niet meer verdienden en daar was het toch om te doen.'

Paarden in de ondergrond

Begin jaren zestig werd Willy geconfronteerd met tijdelijke werkloosheid in Houthalen. 'We moesten drie dagen per week doppen. Dat bracht niets op hé. Ik ben dan met mijn broer naar Luik gegaan om daar in de mijn te werken. Dat was zwaar, vooral omdat we alle dagen ons materiaal moesten meenemen. We hebben daar gewerkt in pijlers van vijftig centimeter. Ik kreeg er mijn broek niet eens uit om mijn behoefte te doen, kan je nagaan. Ik weet nog dat we alles in hout moesten verbouwen in een zeer schuine pijler. De kolen moeste wij scheppen op een sleepriem. Het viel me op dat in Luik weinig terreindruk was en dat de kolen als het ware als boter uit de laag viel. Weet je dat het ware als boter uit de laag viel. Weet je dat ik in Luik nog paarden heb gezien in de ondergrond?' Na twee jaar Luik besloten Willy en zijn broer zich aan te bieden in de mijn van Zolder. 'Te veel stakingen in Luik,' gaat Willy verder. 'In Zolder leerde ik voor het eerst een schaaf kennen. Die werd met zware ketting heen en weer door de pijler getrokken. Vooral die ketting was moordend. Die hing los in de lucht en sloeg soms keihard tegen de stempels (ijzeren ondersteuning) aan. Daar zijn toen veel mensen zwaar gewond door geraakt. In die tijd doken ook al de eerste geruchten van sluiting op en ik nam het zekere voor het onzekere en trok in 1965 naar een fabriek in Lanaken. Ik werkte ook nog voor Ford Genk, maar kon dat stresserende niet aan zodat ik in 1973 naar de mijn van waterschei ging. Daar hebben ze mij met open armen onthaald omdat er een gebrek was aan ervaren mijnwerkers. Het nadeel daarvan was dat ik telkens de slechtste stock (werkplaats) kreeg. In dat geval speelde mijn ervaring tegen mij. En het was ook enorm hard en gevaarlijk werken in Waterschei. Aanvankelijk met uitschuifbare stempels en later met hydraulische exemplaren.' In 1987 kreeg Willy in het kader van de sluiting zijn mijnwerkerspensioen. Nu gooit hij af en toe in de schaduw van de schachtoren en hengeltje uit in de nabijgelegen vijver van 'De Snoekbaars'. Sporten en wandelen zit er voor hem niet meer in. Het ondergrondse stof heeft zijn werk gedaan.   

Transport in de pijler

Voor het transport in de pijler gebruikten de mijnen lange tijd schudgoten. Gebruik makend van de natuurlijke helling van kolenlaag maakten door perslucht aangedreven bakken een op- en neergaande beweging zodat kolen en stenen naar de onderste galerij werden afgevoerd of geschud. Daar kwamen ze terecht op een andere transportinstallatie en werden zo afgevoerd naar de steengang waar ze aan de 'lading' in een wagonnetje werden gekieperd. Een ideaal systeem waren de schudgoten niet, daarvoor waren de hellingen in de Kempense mijnen te gering en de kolenlagen te dik waardoor de capaciteit onvoldoende was. Er is ook nog jarenlang gebruik gemaakt van een rieminstallatie. Twee zware motoren zorgden ervoor dat een brede riem over de lengte van de pijler permanent bleef draaien. Het hengaande gedeelde schuurde laag over de vloer en het werkende gedeelte dicht tegen het dak. De losgewerkte gedeelte geschept zodat ze naar de voetgalerij gevoerd werden en daar op een andere transportinstallatie vielen.

Einde jaren 1950 werd de zware ijzeren gepantserde transportinstallatie (kettingpanzer) in de ondergrond geïntroduceerd. De kolenhouwers moeste dan niet meer zelf de kolen uit de laag werken, dat deed een machine voor hen, een soort kolenploeg of -schaaf die de panzer heen en weer werd getrokken.

transportband

transportEen opzichter de mijn van de mijn van Winterslag verplaats zich in 1987 met de transportriem. Het was een geliefkoosd middel om zich te verplaatsen, maar niet altijd even veilig. In galerijen met voldoende ruimte tussen dak en riem en met op- en afstapplekken werd dit vervoer toegestaan, elders niet. Om sneller huiswaarts te komen, maakte mijnwerkers toch gebruik van onveilige riemen. 

 
 
 

Als een dief in de nacht 

De schaafmachine die na de Tweede wereldoorlog de productie moest opdrijven, had een stevige maar ook omstreden reputatie. De grote zware metalen blok met aan weerzijden extra verharde tanden werden met hydraulische of pneumatische cilinders tegen de kolenlaag aangedrukt. Een zware ketting die in een lus via twee motoren, aan de bovenkant en aan de onderkant van de pijler, met de schaaf verbonden was, zorgde voor de verplaatsing ervan. Zo werd de schaaf naar beneden of naar boven gesleept en schraapte telkens tien centimeter kolen uit de wand weg. Vooral de onderkant van de kolenlaag kreeg het zwaar te verduren zodat het bovenste gedeelte los kwam en in de meeste gevallen als vanzelf in de transportinstallatie viel. Het grote nadeel van een schaal is dat hij als een dief in de nacht zijn weg door de laag zocht. Het was dan ook uitkijken geblazen indien de ouvriers het dak moesten ondersteunen, vlak boven de transportinstallatie. Bij het gebruik van ijzeren dakkappen ging een ouvrier over de meestal draaiende en ratelende transportinstallatie zitten om te ding tegen het dak aan te duwen en sloeg zijn collega de bevestigingskallen vast. Meer dan eens dook de schaaf onderverwacht uit de duisternis en de stofwolken op om uit de pijlerhouwer een slag te geven. het ding was dan ook niet te horen boven het geratel van de transportinstallatie. 'Ik ben ooit eens met de riem achter zo'n schaaf blijven hangen,' zegt een mijnwerker uit Beringen. 'De machine sleepte mij mee tegen de kolen aan. Ik had een panische angst dat ik eronder getrokken zou worden en toch kreeg ik mij maar niet los. Tot ik plots zag dat de schaaf een op de vastzittende steen naderde. Ik weet nog steeds niet waar de kracht vandaan kwam maar ik heb toen uit alle macht mijn riem overgetrokken. Drie weken lang heb ik blauwzwarte heupen gehad, maar ik heb het wel overleefd.'Om vanuit de pijler te communiceren met de schaafmachinist, hing om de tien meter een signaallamp. Als op de knop daarvan gedrukt werd, gingen alle lampen in de pijler uit en wist de machinist dat hij de machine onmiddellijk moest stilleggen. Maar die lampen werden ook gebruikt om de machinist de opdracht te geven de schaaf naar boven te sturen of weer naar onder te laten keren. Bij tien korte signalen, gevold door één lange, mocht de machinist niets meer ondernemen tot hij weerom tien korte signalen en een korte pauze, gevolgd door twee of drie signalen, zag. Twee signalen betekende de schaaf richting bovenkant pijler, en drie signalen naar onderkant pijler.

Hightech in de ondergrond

De trommelsnijmachine, die einde jaren zeventig in gebruik werd genomen, was van een totaal ander kaliber. Een grote metalen blok van zes meter lang en anderhalve meter breed, gevuld met een kluwen aan elektrische hydraulische en mechanische onderdelen, stond vlak boven de transportinstallatie van de pijler. Zware motoren lieten aan weerszijden metalen spiraaltrommel met vlijmscherpe tanden in het rond draaien. Afhankelijk van het systeem trok die machine zichzelf voort over een ketting of via een datasysteem. De trommels sneden dan over een breedte van ongeveer een meter de kolen uit hun laag. Dat maakte dat de panzer in één ruk over de volledige lengte verplaatst kon worden die nodig was om ook de ondersteuning te kunnen zetten.

paswerker

In de meeste gevallen werd in dit soort pijler een 'wandelende' ondersteuning gebruikt: hydraulische elementen die zowel de panzer tegen de kolenwand duwden, zichzelf verplaatsten als het dak ondersteunden. Dit zorgde voor een aanzienlijke verhoging van de productie, maar er waren ook nadelen, omdat in één ruk een grote hoeveelheid steenkool uit de laag werd weggenomen, nam ook de hoeveelheid methaan of mijngas in de omgeving toe, waardoor sterker moest worden verlucht, wat weer stof gaf, waardoor veel watersproeien nodig was wat het werk hinderde.

Een paswerker herstelt de lekken van de hydraulische voeding pomp die gebruikt werd om element onder druk te kunnen zetten. Voor heel wat kolenhouwers bracht die eerste elementen meer dan ze hadden durven denken. Ze waren immers niet zo geschikt in pijler waarvan het dak grillen vertoonde.

Natuurgeweld

Bijna nergens anders dan in een ondergrondse mijn is te zien waartoe natuurgrondse mijn is te zien waartoe natuurkrachten in staat zijn. De druk van het gesteente op eender welke soort ondersteuning kon zo groot zijn dat gigantische stalen draagbalken als een stukje papier opgefrommeld werden. Vooral productiegalerijen hadden erg te lijden onder de immense krachten. Toch hadden ze maar één functie: stand houden tot de ontginning van die kolenlaag achter de rug was. En dat was in het Kempens bekken een bijna onmogelijke opdracht. Geen enkel type van ondersteuning kon standhouden tegen de terreindruk die zich naar boven en de ondersteuning werd krom en ingedrukt. En dat leidde tot gevaarlijke toestanden. Het transport dreigt vast te zitten en ook de doorgang voor het personeel werd geblokkeerd. Meer dan eens werden galerijen zondanig in elkaar gedrukt dat een normale doorgang onmogelijk werd. Ofwel gebukt of op de knieën zoals in de pijler moesten de mijnwerkers op hun werkplaats zien te geraken. Een onvermijdelijke, arbeidintensieve oplossing was na dieping en nabraak. Vooral manoeuvres of handlangers kregen de opdracht om omhoog gepofte stenen met de pik en schop weg te halen. Meer ervaren houwers kregen de opdracht om aan nabraak te doen. De galerijondersteuning die door de druk vernield was, werd weggehaald. De massa aan stenen werd vervolgens opgeruimd met een afbouwhamer en sommige hardnekkige gevallen met springstof. Zowel na braker als na dieper hadden met minder werkdruk af te rekenen dan de productiearbeiders, maar bevonden zich daarom niet in een minder gevaarlijke plaats. Vooral op die plaatsen waar het transport onverminderd moest blijven draaien, was het uitkijken. Meer dan eens heeft een onverwacht opduikende monorail sleepboot of ander transportmiddel zware letsels veroorzaakt. ©

Fotocollage_koolmijn

Steenkool komt voor in diverse kolensoorten en - kwaliteiten zoals   antraciet  ,ess- (of halfvet)kool, rookzwakke (of drie-kwart vet)kool en vetkool. Het verschil in gasgehalte maakt het onderscheid tussen deze varianten. Antraciet bevat het minste gas en vetkool het meest. Antraciet en magere kolen zijn gasarm en met name geschikt voor de huisbrand.

De esskolen en rookzwakke kolen zijn bestemd voor industrieel gebruik of als brandstof in   elektriciteitscentrales  . Vetkolen zijn zeer gasrijk; bij verhitting vergruizen deze kolen tot blokjes en klitten aaneen tot sintels. Deze zijn daardoor zeer geschikt voor de fabrikage van  cokes ; een harde kool, bijna rookvrij en nagenoeg zonder zwavel en  fosfor .  Cokes wordt voornamelijk gebruikt bij de productie van ijzer door  hoogovens  en gieterijen. 

Het  gas  dat bij de productie van cokes vrijkomt is een energiebron maar ook een grondstof voor de bereiding van stikstof  kunstmest  en andere chemische producten. Vetkool kan ook direct worden ingezet als brandstof voor de industrie, schepen en  locomotieven .      Bij de winning van huisbrandkolen komen ook veel vergruisde kolen vrij, de zogenaamde fijnkolen.

De fijnkolen zijn niet geschikt als huisbrandkolen, maar worden als - goedkopere - industriekolen verkocht. Door fijnkool en  pek  te mengen en vervolgens samen te persen kunnen briketten en  eierkolen  worden gefabriceerd die wel weer geschikt zijn voor huisbrand. 

Gastarbeiders op hun gezamenlijke kamer in een Belgische pension in de jaren zeventig

Met gastarbeider wordt bedoeld iemand die tijdelijk naar een ander land komt om daar arbeid te verrichten. De beweegreden voor een dergelijke actie is vrijwel altijd een economische: er is te weinig werk in het thuisland en er is voldoende vraag naar arbeiders in het gastland.

Tijdelijk houdt in, dat het de bedoeling is terug te keren naar het land van herkomst, wanneer dat niet meer het geval is, is er sprake van immigratie en wordt de gastarbeider een immigrant. Na de Tweede Wereldoorlog zijn er naar de rijkere West-Europese landen veel gastarbeiders gekomen. Eerst (voornamelijk voor de kolenmijnen) onder meer uit Polen en de Balkanlanden. In het begin van de jaren 60, werden ten dienste van de zware industrie, mensen gehaald uit landen als Italië - Spanje en Portugal.

In 1964 sluit de Nederlandse regering een wervingsakkoord met Turkije en op 14 mei 1969 volgt Marokko. De gastarbeiders werden naar Nederland gehaald omdat veel Nederlanders het zware- en vuile werk niet meer wilden doen. De uit deze politiek voortvloeiende massa-immigratie werd betaald door de aardgasbaten. Veel gastarbeiders vonden al zoekend naar betere werkomstandigheden dan in de omliggende landen ook zelf de weg naar Nederland. Lees meer...  © E.C.

 

Arbeidsmigranten uit het buitenland speelden een belangrijke rol in de personeelsvoorziening van de Limburgse italiaanse_gastarbeiderssteenkolenmijnen. Als achtste en laatste project van Mijn Verleden Mijn Toekomst worden de gastarbeiders voorgesteld.

Vóór de Tweede Wereldoorlog waren dat voornamelijk Duitsers, Polen en Slovenen. Zij werden vooral aangenomen omdat ze ervaring hadden in ondergrondse mijnarbeid. In deze jaren van snelle opbouw van de mijnen hadden de mijndirecties een groot tekort aan ervaren mijnwerkers. In Limburg zelf waren die in onvoldoende mate te vinden. In 1930 werkten er 12.000 arbeidskrachten uit het buitenland in de Limburgse mijnen. Dat was ongeveer een derde van de totale personeelssterkte.

Tijdens de economische crisis van de jaren 1930 moesten de mijnen inkrimpen. Vooral buitenlandse mijnwerkers werden ontslagen. Daarom was in 1939 het aantal buitenlanders in de Limburgse mijnen teruggelopen tot 3.400, 10 procent van het totale aantal mijnwerkers.

Na de Tweede Wereldoorlog moesten de mijnen opnieuw regelmatig een beroep doen op mijnwerkers uit het buitenland. Het verschil met de vooroorlogse periode was vooral dat de arbeidsmigranten nu voornamelijk ongeschoolde mijnwerkers waren. In de Limburgse mijnen kregen ze een basisopleiding voor de ondergrondse arbeid. Ze kregen een tijdelijk arbeidscontract. Het waren met andere woorden gastarbeiders, die na één of twee jaar werk in de mijnen weer naar huis zouden terugkeren.

Tussen 1948 en de sluiting van de laatste mijn in 1974 wierven de Limburgse mijnen deze gastarbeiders in verschillende landen, zoals Italië, Spanje, Joegoslavië, Griekenland en Marokko. Italianen en Spanjaarden arriveerden per trein in Limburg. In de jaren zestig werd ook het vliegtuig gebruikt, bijvoorbeeld voor de Joegoslaven die vanaf 1962 werden geworven.

Logement.In 1948 sloten de Nederlandse en de Italiaanse overheid een overeenkomst, die het mogelijk maakte dat de mijnen in Italië arbeidskrachten konden werven.

Eind jaren veertig kwamen ongeveer 700 Italianen naar Limburg. Een veel grotere groep (enkele duizenden) kwam in de jaren tussen 1956 en 1958. In 1962 en 1963 arriveerde een laatste groep van ongeveer 200 Italiaanse mijnwerkers in Limburg. Ze werden aanvankelijk geworven in het noorden van Italië, maar later vooral op Sardinië en in de provincie Abruzzen.

De mijnen zorgden voor deze jonge, meestal ongehuwde gastarbeiders voor kost en inwoning in gezellenhuizen.

Ook betaalden de mijnen de reis naar Limburg. De Italianen kwamen per trein aan op station Maastricht. Daar werden ze opgewacht door vertegenwoordigers van de Limburgse mijnen, die de nieuwe arbeiders naar hun woonplek begeleidden.

Vanaf 1962 wierven de mijnen ook in Spanje. Een kleine duizend Spaanse mijnwerkers besloten hun geluk in de Limburgse mijnen te gaan beproeven. Ook zij reisden groepsgewijs met de trein naar Limburg, waar ze op station Maastricht arriveerden.

Gastarbeider-2

Veel gastarbeiders viel het zware en ongezonde werk in de mijn tegen. Lang niet iedereen diende zijn contract uit, ook al omdat de heimwee vaak toesloeg. Bovendien waren er de nodige culturele obstakels. Zo protesteerden in april 1963 ongeveer 200 Spaanse gastarbeiders tegen het eten in de gezellenhuizen Leijenbroek (Sittard) en De Egge (Brunssum) dat volgens hen niet goed was.

Ze kregen gerechten voorgezet die ze in Spanje niet kenden. Toen ze in staking gingen, werden ze door Staatsmijnen op staande voet ontslagen. Bemiddelingspogingen van onder meer de Spaanse viceconsul mislukten en uiteindelijk vertrokken naar aanleiding van het conflict bijna 300 Spaanse mijnwerkers uit Limburg. Zij stapten in Maastricht op de trein, blij dat ze terug naar huis konden. ©

 

Een grensarbeider is iemand die in één land (het werkland) werkt, in een ander land (het woonland) woont en gewoonlijk dagelijks of ten minste eenmaal per week naar het woonland terugkeert. Een grensarbeider wordt ook wel een grensganger genoemd. Voor grensarbeiders is de belasting en de uitvoering van wetten op het gebied van de sociale verzekering administratief nog niet zo eenvoudig geregeld, niet voor de grensgangers zelf en niet voor de ambtenaren die de regelingen moeten uitvoeren. Zo kunnen grensgangers vaak in meerdere landen belasting en premies betalen en van voorzieningen gebruik maken. Lees meer... ©

 

 

HOUTHALEN - HELCHTEREN

Arrondissement Maaseik: provincie Limburg

Deelgemeenten: Helchteren, Houthalen

7827 ha; 30.000 inwoners 

Helchteren 3530

6.640 inwoners

1107: Haletra; haledjra= jeneverbessenstruik

Helchterenaar; Helchterens

2979 ha; Kempisch plateau; 65-80m); heide, bossen en weiden; doorsneden door enkele beken, onder meer de Mangelbeek op de grens met Houthalen

woondorp; handel; industrie, kazerne, vakantiepark

regelmatig bussen naar Hasselt (station, 15 km) en Neerpelt/Lommel 

GESCHIEDENIS

De heerlijkheid Helchteren hing tijdens het ancien regime af van de abdij van Sint-Truiden, die hier een waterslot, ter Dolen, liet bouwen. De abdij bevat zowat de geestelijke als de heerlijke rechten in het dorp. Er waren vier gehuchten, De Hoef, Dorp, Kunsel en Sonnis, die alle vier op de noordelijke helling van de Mangelbeek lagen. 

Helchteren werd geleidelijk ontsloten door de aanleg van de weg Luik-’s-Hertogenbosch in 1768-1788, de bouw van een station aan de spoorweg Hasselt-Eindhoven in 1865 en aanleg van de weg Heusden-Bree in 1908-1910.

Vooral de ontginning vanaf 1930 van de steenkoolmijn Helchteren-Zolder en de inplanting van de kazerne tussen het dorpcentrum en het gehucht Sonnis, hebben het aanzicht van het dorp gewijzigd. Alleen in het oostelijke gehucht Sonnis is het eeuwenoude agrarische nog bewaard gebleven. 

In september 1944 werd in Helchteren hevig slag geleverd tussen en Duitse troepen. Na de oorlog werden nog een kazerne en een schietveld voor aangelegd, zodat momenteel één derde van het grondgebied gebruikt wordt door de militairen. 

BEZIENSWAARIGHEDEN

De driebeukige neogotische Sint-Trudokerk  van 1890-1895 is van baksteen met sierelementen van natuursteen. Architect was H. Martens uit Stevoort. De kerk werd in 1910-1911 gewijzigd: de toren werd en het schip verbouwd. Het meubilair is neogotisch van ca. 1895-1896, behalve twee laat-barokke portiekaltaren, drie biechtstoelen en een koperen doopvont uit de 18 de eeuw. Het orgel uit 1884-86 is van de Maastrichtse orgelbouwer Pereboom & Leyser.

Verder enkele 16 de eeuwse zoals het triomfkruis, een gekruisigde Christus, Sint-Trudo, Sint-Anna-ten-Drieën, Sint-Sebastiaan en Sint-Luciabeeld dateert van ca. 1700.

Bij de Sint-Trudokerk ligt het ontmoetingscentrum de Roepsteen, alsook het vroegere gemeentehuis van Helchteren, met een gedenkplaat Jan Wouters. Ervoor een monument voor de gesneuvelde uit de beide wereldoorlog, alsook onder een linde de oude roepsteen, waarop de belleman zijn nieuws vertelde. Aan de kerk staat nog een Heilige Hartbeeld met een gedenkplaat voor pastoor Felix Germens (1887-1923). Verspreid over de gemeente staan verscheidene kapellen, onder meer langs de Helzoldstraat, de Kapelstraat en aan de Hulsthagenstraat. Deze laatste werd opgericht in 1946 als herdenking aan de slachtoffers uit de wereldoorlogen en is geklasseerd als legermonument. 

Ten noorden van de dorpkern ligt het waterslot de Dool.  Het is een versterkt herenhuis en voormalig zomerverblijf van de abten van Sint-Truiden. De kern van het ‘kasteel’ is een nagenoeg vierkant binnenhof, aanvankelijk versterkt door ronde hoektorens waarvan de twee noordelijke bewaard bleven. In de17de-eeuw abtsverblijf verruimd. In opdracht  van abt R. Mottart, 1780-1783, werd het gebouw tot een U-vormig classicistisch landhuis verbouwd. Ook de laatgotische huiskapel werd toen aangepast. In 1797 werd het domein openbaar verkocht. Voor het kasteel ligt een boerderij, waarin sedert 1994 een ambachtelijke brouwerij en een taverne zijn ondergebracht. De omgeving van het kasteel De Dool is als landschap geklasserd.

Ten noorden hiervan bevindr zich het park Molenheide 180 ha, een vrijetijds-en vakantiepark het bungalows, campings, sutropisch zwembad, congrescentrum en sportinfrastructuur. Ter westen ligt het Wild- en wandelpark en Molenheide, 100 ha, een omheind natuurgebied, waar inheemse dieren als herten in hun vertrouwen omgeving leven.

Op het gehucht Sonnis nog verscheidene oude boerderijen, typisch Kempense langgevelhoeves, in baksteen.

Aan de Heerkensweg, zgn. “kasteeltje” Hoeverheide, gebouwd ca 1870 door de Aalsterse textielbaron Leon Leirens. De Toscane villa ligt in een Engels landschapspark met exotische bomen. De gemeente heeft ook

enkele fraaie villa’s uit het interbellum, onder meer langs de Kazernelaan en in de Korte Heidestraat. 

EVENEMENTENKALENDER

Pinksteren: kermis

voorlaatste weekend van juli: modelvliegtuigenmeeting “Jets over Pampa”

voorlaatste weekend august: Ter Dolen fietshappening

zondag na 8 september: kermis 

GASTRONOMIE

Ter Dolen bier 

Houthalen 3530

23.360 inwoners

1117: Hallu, ca. 1212 Holt-Halen = bos, en Halen= bochtig hoogland

Houthalenaar; Houthalens

4849 ha; Kempisch plateau (60-75 m); doorsneden door enkele beken die alle naar het zuidwest vloeien, zoals de Laambeek op grens met Zonhoven en Mangelbeek op de grens met Helchteren

regelmatig bussen naar Hasselt (station, 12 km), Genk, Beringen en Neerpelt/Lommel

woondorp, sociale woonwijken; handel; industrie; verzorgingscentrum 

GESCHIEDENS

Er zijn verscheidene vondsten uit de prehistorie en uit de vroege middeleeuwen. In 1141 verwierven de norbertijnen van Floreffe (Namen) het domein Hengelhoef en in 1228 Kelchterhoef. De norbertijen hadden ook de geestelijke zeggenschap over de kerken van Houthalen en Laak, benoemden er de pastors en indien de tienden. Op wereldlijk vlak behoorde Houthalen tot het graafschap Loon en later tot de heerlijkheid Vogelzang, die ook de omliggende dorpen Zonhoven, Zolder en een deel van Heusden omvatte.  

Houthalen had zoals de omliggende dorpen vaak te lijden van doortrekkende legers. Bijgevolg bouwden de inwoners vier schansen in de wijken, als bescherming tegen de soldateske. De ontsluiting van het dorp kwam er met de aanslag van de weg Luik- ’s Hertogenbosch in 1760-1770 en vooral de exploitatie van de steenkoolmijn vanaf 1938. De steenkoolmijn zorgde voor explosieve bevolkingsgroei, waarbij ook talrijke migranten van buiten Europa kwamen. De wijken Meulenberg en Houthalen-Oost  zijn volledig nieuw gebouwd na de tweede wereldoorlog. In 1965 ging de steenkoolmijn dicht, maar op het geëgaliseerde steenstort werd een industrieterrein aangelegd, zodat de werkgelegenheid verzekerd bleef. Na groeide het centrum uit tot kleinstedelijk handelscentrum.  

BEZIENSWAARDIGHEDEN 

Het moderne gemeente van 1959 is een ontwerp van architect L. Van den Vondel. In de bovenhal hangt het wandtapijt “De Weerwolf” van Houthalense kunstenares Simone Reynders. Op het plein voor het gemeentehuis eert een modern oorlogsmonument van 1970 de nagedachtenis van de slachtoffers van de twee wereldoorlogen.

De modern-gotische Sint-Martinuskerk van 1938-1940 werd door J. Deré uit Hasselt ontworpen. Ze is van buiten van bergsteen, van binnen van baksteen. Ze loodrecht gebouwd op de oude kerk, waarvan de laatgotische bakstenen toren uit ca 1500 en het gotisch koor uit 1437, opgetrokken uit maaskeien en mergel, bewaard bleven. Deze bouwelemeten zijn in de nieuwe kerk opgenomen. In het oud koor staat een barokaltaar, met het 17de-eeuwse paneel Aanbidding der Herders. Onder de toren, met zwaar kruisribbengewelf, bevindt zich de doopkapel met laat 18de-eeuws portiekaltaar en blauwarduinen wijwatervat van 1560.

De kerk bezit fraaie houten beelden uit 16de eeuw: de H. Blasius, de H. Barbara, een Sint-Anna-ten-Drieën, de H. Sebastiaan, Christus aan kruis, de H. Rochus en de H. Ambrosius. Enkele geelkoperen kandelaars en het zilverwerk dateren uit de 17de-18de eeuw.

De houten preekstoel is van 1687. De art-deco glasramen zijn van Brusselse glazenier Frans Crickx.

In de Maaslandse norbertijnerpastorij van 1739 is fraai stucwerk. Ze wordt ook wel de omgekeerde pastorie genoemd, omdat ze de mooiste kant van de tuin toe ligt?

Bezienswaardig is ook het Filip Nerilyceum, gebouwd in 1962-65 in de stijl van het brutalisme, naar ontwerp van architect A. Hoppenbrouwers. Het gebouw wordt gekenmerkt door betonskeletbouw, met veel gebruik van glas en hout. Aan de Oudstrijderslaan ligt de Grieks-orthodoxe kerk. Langs de Grote Baan en de Ringlaan staan nog enkele fraaie villa’s in een parkachtige entourage.

In het winkelcentrum herinneren diverse monumenten aan de verdwenen mijnindustrie, zoals een kolensnijtrommel, een persluchtlocomotief en drie mijnwagens of berlengs. Hier staat ook het Lachmanneke, een ontwerp van Bernard Keunen en Rik Jacibs. Aan de Guldensporenlaan staat een modern beeld “De mijnwerker” van Flor Verbist. Dezelfde kunstenaar ontwierp ook het monument “Gevallen vleugels” op het kerkhof, ter herdenking aan de geallieerde piloten die neerstortten in de gemeente tijdens de tweede wereldoorlog. 

Op een  kleine hoogte in het gehucht Laak, ten noorden van het centrum, rijst de 17de-18de-eeuwse eenbreukige Kerk Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën. Ze is gebouwd in baksteen, het koor in mergelsteen. De bakstenen westertoren heeft een klokdak met peervormige spits. Het tongewelf van de kerk is met stucwerk versierd. Er staat een laat- 18de-eeuws portiekaltaar en enkele beelden in volkskunst.

De moderne Sint-Jozefskerk van 1965 is een ontwerp van architect Dewandre uit Hasselt. Het is een eenbeukige zaalkerk, met voorportaal en klokkentoren. Nog in Laak staat de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Onrust. Het is een eenvoudige kapel onder linden, die in 1980 door een storm verwoest werd, maar nadien heropgebouwd. 

Langs de Pastorijstraat liggen nog enkele gebouwen van de voormalige steenkoolmijn, onder meer het vroegere administratief centrum, waarin nu het museum Ons Mijnverleden is ondergebracht. Het museum biedt een didactisch overzicht van de geschiedenis van de steenkooluitbating in Limburg. 

Achter dit mijngebouw staan twee schachtbokken, in de volksmond “Bellefleurkes” genoemd, die vroeger de liftkooien ondersteunden die de mijnwerkers naar beneden en de steenkool naar boven brachten. 

Verder staan er nog enkele bijgebouwen, alsook de vroegere Mijnschool, nu centrum voor deeltijds onderwijs, gebouwd in 1958 in modernistische stijl n.o.v. de joods-russische achitect Isia Isgour. 

Isgour tekende trouwens verscheidene gebouwen in opdracht van de steenkoolmijn van Houthalen in de wijk Meulenberg. Deze wijk, aan de overkant  van de Grote Baan, werd aangelegd vanaf 1938, met verschillende soorten woningen voor ingenieurs, bedienden en mijnwerkers: onderscheid moest er zijn ! Opvallend in het geometrische stratenplan zijn de brede lanen en de talrijke ronde punten, in die tijd voorwaar een noviteit ! 

Isgour ontwierp er lagere scholen, een kleuterschool, twee kloosters en een casino, thans cultureel centrum. Tot in de jaren 1970 stonden de schoolgebouwen model in Limburg en zelfs in het buitenland. Voorts in de wijk Meulenberg ook nog een Turkse en Marokkaanse moskee. Aan de weg ’t Genaderen ligt een gerestaureerde watermolen, nu ingericht als taverne, alsook nog een oude vakwerkboerderij. 

Grenzend aan de wijk Meulenberg werd in de jaren 1955 de wijk Tenhout  gebouwd door een sociale woningmaatschappij.  Bezienswaardig is een stenen gedenkkruis uit 1981, dat  herinnert aan de slag van Houthalen uit 1831, waarbij het Belgische en Nederlandse leger tegenover elkaar stonden. Lees meer...

In de wijk Kwalaak staat sinds 1952 de modern-gotische Sint-Leonarduskapel, die een ouder bedehuis vervangt. 

Aan de weg naar Zwartberg ligt het domein Kelchterhoef,  460 ha, bos, heide, vennen en een waterplas met aanpalende camping. De basberg is een gezinsvriendelijk vakantiecentrum. Op het domein Kelchterhoef liggen er nog enkele oude Kempische langgevelhoevers, zoals hoeve Jan en hoeve Mieneke, die nu als horecazaak zijn ingericht. Ook een vierkanthoeve, de Abdijhoeve, is nu als restaurant in gebruik. Kenmerk voor deze hoeves is het gebruik van houten skeletbouw in de gevels. Op het domein staan nog fraaie beuken en kastanjedreven. 

De wijk Houthalen-Oost werd vroeger “Park van Genk” genoemd, omdat er tot in 1960 geen rechtstreekse verbinding met
Houthalen-Centrum was en de wijk eerder aansloot bij de Genkse wijk Zwartberg. De naam “park” herinnert misschien aan Caroline du Parc, die hier in 1857  27 ha heidegrond erfde.

Deze wijk werd volledig gebouwd na de tweede wereldoorlog, en heeft bijgevolg weinig monumenten te bieden. De bakstenen kerk
Onze-Lieve-Vrouw der Armen dateert van1953. Bezienswaardig is wel grafkapel van de familie Masy uit 1905, gebouwd in gewapend beton, naar het voorbeeld van de Byzantijnse kapel van Gallia Placida in het Italiaanse Ravenna. Het domein Masy, met een fraaie collectie exotische bomen, ligt op grondgebied Meeuwen en binnen het militair domein van het schietveld te Helchteren, dus slechts zeer beperkt toegankelijk. In de nabijheid ligt ook het domein luciebos, aangelegd door de Luikse familie Thorn-Roberti, met een herenhuis uit 1874-76 en een kasteeltje uit
1924-1926.

Hengelhoef is eveneens een vakantiecentrum met subtropisch zwembad, te midden van 300 ha bossen en vijvers, waarvan een gedeelte ook op grondgebeid Genk ligt. Bezienswaardig is hier het kasteel Engelhof uit 1903, gebouwd door baron Fernand de Beeckman
- de Vieusart. Ernaast liggen de oude hoevegebouwen, met in de poort een stenen wapenschild van dezelfde familie. 

Ten Haagdoornheide is een staatsnatuurreservaat, gelegen tussen de wijk Meulenberg, de Weg naar Zwartberg, de Donderslag en de E-314 autoweg. Er is ondergrondse doorgang onder de autoweg naar het nabijgelegen natuurgebeid van de Teut te Zonhoven. 

De Sint-Catherinakapel  in Lillo is van 1617. Ze bezit een 18de-eeuws portiekaltaar, en enkele gepolychromeerde beelden. De H. Barbara is van 1460-1470, twee beelden van de H. Catharina uit 16de en 17de eeuw en een O.-L.-Vrouw met kind uit de 18de eeuw. Ernaast ligt de hoeve Claes met jaarankers uit 1746. Het is een typische Kempische langgevelhoeve, met  de lange, zonnige kant naar het zuiden gericht. Langs de modern-gotische  Sint-Antoniuskerk uit 1954 staat een herdenkingsmonument voor meester Romain Surinx (+1940).

Ook de schans van Lillo  is nog goed bewaard gebleven. De vallei van Mangelbeek is een waardevol moerasgebeid. 

EVENEMENTENKALENDER

tweede weekend van maart:  occasiebeurs voor zwerfauto’s en caravans

eerste zondag van mei: kermis Houthalen-centrum

Pinksteren: kermis Houthalen-Oost

voorlaatste weekend van juni: Lus van het Zwarte Goud (fietsocht)

twee laatste weekends van juni en eerste weekend van juli: Tuinzondagen

tweede weekend van juli: Internationale Van & Special Carmeeting

rond 11 juli: Internationaal Lachfestival

eerste zondag van september: Kelchteren kermis

laatste zondag van septemeber: kermis Houthalen-centrum

derde zondag van december: Kerstlichtjes (Kelchterhoef) 

GASTRONOMIE

Heeborrel en grappie (jenever)  © E.C.

Lees meer...